3 december 2018

Nederland, de speeltuin van Europa

Als je kijkt naar wat Nederland sterk maakt, valt speelsheid op als kenmerk. Sterker nog, spelen is onderdeel van onze cultuur; via Erasmus in ons DNA gekropen.

Johan Huizinga (1872-1945) en Desiderius Erasmus (circa 1467-1536)

Door Hans Luyckx

Onze creatieve industrie is wereldberoemd. De producten die eruit rollen zijn ‘luchtig’ en grappig; speelsheid is ons handelskenmerk. Hans Luyckx, operationeel directeur bij IJsfontein – playful learning, sprak op DutchCulture' s congres over kindercultuur en schreef naar aanleiding daarvan dit stuk.

Nederland voorop
Een vooralsnog weinig belicht onderdeel van de Nederlandse cultuur, is onze gaming-industrie. Nederland loopt wereldwijd voorop bij het ontwikkelen van serious games, digitale spelen om vaardigheden te leren of kennis op te doen. Dat Nederland die positie inneemt, is zeker geen toeval. Het is een logisch gevolg van onze spelende cultuur.

Spelend leren
Erasmus (circa 1467-1536) was een priester, theoloog, filosoof, schrijver en humanist. Erasmus stelde de mens centraal, niet de kerk of staat. Hij ‘bemoeide’ zich met alle onderdelen van de samenleving. In Lof der zotheid, zijn bekendste werk, maakt hij op genadeloze, maar grappige wijze gehakt van de gevestigde orde. Hij levert onder meer kritiek op de rooms-katholieke kerk. Zijn boek was baanbrekend: het maakte de weg vrij voor de reformatie, de 16de-eeuwse religieuze revolutie waaruit de protestantse kerken zijn ontstaan.

Ruimdenkend opvoeden
Erasmus heeft ook veel opvoedkundige en onderwijswerken geschreven. In zijn boek over de verplichting kinderen terstond en ruimdenkend op te voeden stelt hij dat ‘mensen niet geboren maar gevormd worden’. Kinderen groeien niet zomaar uit tot ‘nuttige onderdelen van de maatschappij’. Ze moeten van jongs af worden opgevoed en onderwezen. Erasmus vindt dat je kinderen eerlijk en met respect moet behandelen. Ook is het beter om ze aan te moedigen dan ze te straffen.

Tuchtregimes
Volgens Erasmus ontwikkelen kinderen zich dan sneller en weten ze beter wat goed en slecht is. Kinderen leren het meest als ze intrinsiek gemotiveerd zijn. Docenten moeten volgens hem dan ook alles op zo’n manier aanleren ‘dat de kinderen niet de indruk hebben dat ze aan het werken zijn, maar geloven dat het allemaal om spelletjes gaat’. Erasmus’ ideeën weken totaal af van de pedagogische methoden in zijn tijd. In de middeleeuwen waren lijfstraffen en tuchtregimes de norm. Inmiddels zijn Erasmus’ principes – kinderen aanmoedigen, ze niet te veel pushen, spelend leren – redelijk geaccepteerd in een groot deel van de wereld.

De spelende mens
In navolging van Erasmus kent Nederland nog een ander sleutelfiguur als het gaat om spelen: Johan Huizinga. Deze historicus, antropoloog en cultuurhistoricus (1872-1945) ontvouwt in zijn boek Homo ludens (de spelende mens) zijn theorie over de spelende mens. De mens denkt, maakt en speelt. Maar volgens Huizinga is de mens eerst en bovenal een spelend wezen. Iedereen wil spelen. Spelen à la Huizinga is – kort samengevat – een vrijwillige activiteit die verloopt volgens vaste regels en spanning en plezier oplevert. Om te kunnen spelen hebben mensen een ruimte nodig waar ze zich geborgen voelen. Dat kan van alles zijn, van een arena tot het toneel, een speeltafel, tempel of toverkring: a magic circle.

Noodzakelijk spel
Gelukkig maar dat mensen graag spelen. Want door spel kan een maatschappij ontstaan én zich blijven ontwikkelen. In Homo ludens laat Huizinga op overtuigende wijze zien dat het spel, het ludieke, noodzakelijk is om een samenleving op te bouwen. Hij trekt lezers door de wereldgeschiedenis en toont dat essentiële bestanddelen van onze cultuur – rechtspraak, kunst, sport – te herleiden zijn tot eeuwenoude spelen. Zijn theorie ontving veel lof. Niet alleen in Nederland, maar ook in de rest van de wereld. Het leverde hem zelfs een Nobelprijs-nominatie op.

Eén groot foutenfestijn
Hoe zien we in Nederland de theorie van deze invloedrijke heren terug in de praktijk? Spelend leren houdt in dat de speler op een ontspannen en afwisselende manier leert. Hij stuit voortdurend op nieuwe uitdagingen en mag fouten maken. Sterker nog, gaming is één groot foutenfestijn. Een game draait om spanning, uitdaging, meesterschap en overwinning. Deze combinatie motiveert niet alleen kinderen, maar ook volwassenen om door te spelen én te leren. Huizinga schreef het al: iedereen wil spelen.

Nederland speeltuin van Europa
De kern van het spelend leren – ongehinderd experimenteren en de vrijheid voelen om fouten te maken – loopt als een rode draad door onze hele cultuur. Dat begint al bij de ouders die over het algemeen relaxt met hun kinderen omgaan. Kinderen mogen hun mening ventileren en tutoyeren hun ouders. Soms noemen ze hun ouders zelfs bij hun voornaam. Dat speelse zien we terug op Nederlandse scholen en in het bedrijfsleven. In ons land is iedereen gelijk, heeft iedereen een stem en mogen er fouten worden gemaakt. Dat alles maakt Nederland de speeltuin van Europa of misschien zelfs wel van de hele wereld.

Serious games
Het is dan ook niet verwonderlijk dat in Nederland volop wordt geëxperimenteerd met nieuwe vormen van educatie. Vormen die beter passen bij deze tijd en waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van de huidige technologische mogelijkheden. Onze creatieve industrie speelt hierin een grote rol. Kijk maar naar de vele games die wij produceren. Daarvan nemen serious games – digitale spelen om vaardigheden te leren of kennis op te doen – een speciale plaats in. Van de 330 bedrijven in de Nederlandse game-industrie, houdt 57% zich bezig met de ontwikkeling van serious games, 44% is daar exclusief mee bezig. Dit percentage is ‘significantly higher’ dan in andere landen. Nederland loopt dan ook wereldwijd voorop bij het ontwikkelen van serious games en game based learning. Het zal u vast niet verbazen dat de principes van spelend leren, ooit bedacht en beschreven door de heren Huizinga en Erasmus, hierbij een onmiskenbaar belangrijke rol spelen.

Dit is deel II in een serie over kindercultuur in Nederland. Aanleiding hiervoor was het Kinder Cultuurcongres dat Dutch Culture onlangs organiseerde in samenwerking met NAPK, Het Letterenfonds, De Nederlandse Museumvereniging en Cinekid. Deel I ging over Het kindvriendelijke kinderportret, door kunsthistoricus Rudi Ekkart.